Ramen van pand Kortegracht 21 ('t Juffersgat) dichtgemetseld in opdracht Joodse gemeente: verschil tussen versies

Uit Tijdbalk Amersfoort
Ga naar:navigatie, zoeken
(Nieuwe pagina aangemaakt met '{{Kenmerk |kenmerk=geen }} {{Gebeurtenis |van=1908 |rubrieken={{Rubrieken |rubriek=Kerk/religie/ethos }} }} Artikel is door de auteur (toen tevens stadsgids) dest...')
(geen verschil)

Versie van 12 sep 2019 om 21:41

tot 800 800-900 900-1000 1000-1100 1100-1200 1200-1300 1300-1400 1400-1500 1500-1600 1600-1700 1700-1800 1800-1900 1900-2000 vanaf 2000

1908


Onderwerp(en)

Gebeurtenis

Artikel is door de auteur (toen tevens stadsgids) destijds geplaatst in de Nieuwsbrief van de Stichting Gilde Amersfoort.

VAN DE HOED EN DE RAND (7)

Dichtgemetselde ramen

Op onze wandeltocht door de binnenstad komen we op diverse plaatsen dichtgemetselde deuren en ramen tegen, of kleine ruitjes in een grote houten `omlijsting`. Als stadsgids geven we dan als verklaring, het ontkomen aan vensterbelasting of geldgebrek om (dure) glazen ramen te zetten of dichtmetselen vanwege bouwvalligheid. Ook een combinatie daarvan, of een andere reden kan een rol spelen. De plaatsen zijn bekend, b.v. de Sint-Joriskerk, het pand Havik 35, het huis ’t Juffersgat aan de Kortegracht 21 en, buiten onze gebruikelijke route, de kuiperij in de Hellestraat 7 van de heer Meester. Ik verwijs voor enkele foto’s van de laatste twee panden, in de volgorde zonder/met dichtgemetselde ramen, naar de Beeldbank van Archief Eemland http://www.archiefeemland.nl/ voor de kuiperij, de fotonummers AFT005000017 en AFT005000018 en voor het ‘t Juffersgat foto 50297 en AFT003000211. In dit artikel geef ik achtergronden over de belasting op vensters en deuren. Daarna schets ik de geschiedenis van de dichtgemetselde ramen in het pand Kortegracht 21, ’t Juffersgat. De kuiperij laat ik terzijde.

Belasting op vensters en deuren De centrale vraag is, waar ligt de oorsprong van belasting op vensters en wanneer is die heffing afgeschaft? In grote lijnen is dit het beeld. Tijdens de Bataafse Republiek (1795-1806) werd, naar voorbeeld van de Fransen, personele belasting geheven op grond van het aantal dienstboden, paarden, deuren en vensters, en het aantal stookplaatsen dat iemand had. Het woord `personele` betekent gericht op personen en niet op goederen. Belasting op haardsteden bestond overigens ook al in de 16e eeuw. De invoering van deze personele belasting is rond 1805 geweest, maar zal gezien de Franse bezetting van de Nederlanden van 1806-1813 waarschijnlijk moeizaam zijn verlopen. Dat veranderde in 1821, in de `Stelselwet` werden de verschillende belastingen opgesomd, accijnzen, grondbelasting, het patentrecht, zijnde een belasting op bedrijfsuitoefening en de personele belasting. Deze laatste werd geheven over huurwaarde, deuren en vensters, haardsteden, meubilair, dienstboden en paarden. Huurwaarde en meubilair waren nieuw ten opzichte van de `Bataafse wet`. Bij deze belasting denk je misschien, hoe zat het met inkomstenbelasting? Die bestond toen nog niet. Personele belasting is te zien als voorloper van de inkomstenbelasting. Deze werd voor 1821 wel incidenteel geheven, als `buitengewone heffing van tijdelijke aard`. Minister Pierson bracht in 1893 een belangrijke belastingherziening tot stand. Hij voerde toen o.a. de Vermogensbelasting en de Bedrijfsbelasting in. Minister Treub maakte, door de samenvoeging van deze twee wetten, in 1914 de wet op de Inkomstenbelasting. Op 31 januari 1898 diende minister Pierson een nieuw wetsontwerp in om de grondslag `deuren en vensters` voor de personele belasting te vervangen door `rijwielen`. Het wetsontwerp werd op 9 juni 1898 met grote meerderheid aangenomen door de Tweede Kamer en enige weken later ook door de Eerste Kamer. De wet leverde veel problemen in de uitvoering op en fraude vierde hoogtij. De `luxe`, dichtgemetselde vensters konden vanaf 1898 dus desgewenst weer worden geopend, maar een andere weelde werd nu belast. De dichtgemetselde ramen van de kuiperij heeft mogelijk met het voorkomen van glasbelasting te maken.

Kortegracht 21, het pand ’t Juffersgat Het pand heeft twee dichtgemetselde ramen aan weerszijden van de voordeur. Dit zou dus verband kunnen houden met de genoemde belasting op vensters. Maar is dat het geval? Bij Gilde Amersfoort verwijzen wij naar de functie van `lijkenhuis`, sinds de bouw van de synagoge in 1726. De joodse rituelen rond het dode lichaam zouden aan het oog van de buitenwereld moeten worden onttrokken. De gemeente Amersfoort zou daarom hebben bevolen de raampartijen in een bestaand huis dicht te metselen. Ik heb steeds enigszins getwijfeld aan deze uitleg en houd daarom bij een rondleiding altijd een slag om de arm. Recent heb ik meer duidelijkheid gekregen over het pand met de `cementen ruiten`. Ik verricht al enige tijd historisch onderzoek naar de `Eerste Amersfoortsche Tramautodienst`(1923-1930) en zijn oprichter, de joodse Amersfoorter Nathan Hilversum (Amersfoort, 1873-1959). In mijn contacten in de joodse gemeente heb ik in de marge van dat onderzoek het huis ’t Juffersgat aan de orde gesteld. Welke functies heeft dat huis voor de joodse gemeente in het verleden gehad? Waarom en wanneer zijn de ramen aan weerszijden van de voordeur dichtgemetseld? Bestaan de `schijnramen` wel sinds de 18e eeuw, of is er misschien toch een relatie met de belasting op vensters uit de 19e eeuw? Kortom, is de mij als gids bekende uitleg correct?

De datering bij de hiervoor genoemde foto 50297 is ca. 1900, toen waren de twee ramen blijkbaar nog open. Hieronder een foto uit 1905 waarop maar één raam met glas is te zien (boven de rode stip). Deze foto moet zijn genomen kort nadat bomen op de Kortegracht in dat jaar waren gekapt (op foto 50297 nog veel bomen). De vraag naar de functie(s) in de tijd van het pand ’t Juffersgat blijft daarom interessant. Met de specifieke vraag waarom in 1905 de vensters aan weerszijden van de voordeur nog van glas waren voorzien en blijkbaar later in de 20e eeuw zijn dichtgemetseld. Als de functie namelijk voor en kort na 1905 dezelfde was als die in de uitleg door het Gilde wordt gegeven, waarom dan daarvoor niet en later wel dichtgemetseld? Was dat na 1905 een wens van de joodse gemeente of een eis van de gemeente Amersfoort? En wanneer zijn die dan geformuleerd? In ieder geval is duidelijk dat de dichtgemetselde ramen geen relatie hebben met de vensterbelasting uit de 19e eeuw.

Wanneer dichtgemetseld? Blijkbaar niet vanaf het begin 18e eeuw. Wanneer dan wel? De bouwtekeningen in Archief Eemland geven opheldering. Op 24 juli 1908 is door metselaar/timmerman C. van Zwol, in opdracht van de joodse gemeente, een aanvraag voor een verbouwing ingediend bij de gemeente Amersfoort. Een vergunning werd gevraagd om twee kozijnen van het pand Kortegracht 6 (thans nummer 21) dicht te metselen. De gunning van de verbouwing was op 28 juli van dat jaar.

In sommige joodse gemeenten was het de gewoonte een overledene in het mikwe onder te dompelen. Ook in Amersfoort was het traditie de rituele lijkwassing (tahara) in het mikweh te verrichten. We weten sinds 2000 dat het mikweh in het pand Drieringensteeg/Muurhuizen gevestigd is geweest. De reden voor de aanvraag van de bouwvergunning wordt niet genoemd, maar laat zich raden. Blijkbaar werd vanaf 1908 de lijkwassing niet meer in het mikweh verricht, maar in het `lijkenhuis`, Kortegracht 21. De kozijnen werden dichtgemetseld om rust te creëren en inkijk te voorkomen. Het pand had een nieuwe (of extra) functie gekregen.8 Het mikweh is vanaf 1908 waarschijnlijk wel in het oorspronkelijke pand in de Drieringensteeg in dienst gebleven. Volgens Van Adelberg was het bad in gebruik tot in de Tweede Wereldoorlog. In zijn beleving alleen gevestigd aan de Kortegracht 25. De reden van `verhuizing` van de lijkwassing is op dit moment niet duidelijk. Wetgeving betreffende de volksgezondheid is zeer waarschijnlijk een reden geweest. De twee ramen aan weerszijden van de voordeur zijn dus in 1908 dichtgemetseld, op aanvraag van de joodse gemeente (via `aannemer` C. van Zwol) en met een beschikking van de gemeente Amersfoort. Het was dus een initiatief van de joodse gemeente tot verbouwing. De gemeente Amersfoort was facilitair als verlener van de bouwvergunning. Van enige druk door de gemeente Amersfoort, laat staan bevel, is geen sprake gebleken.

Het pand kreeg in 1908 de functie van `lijkenhuis`. Daarvoor was het waarschijnlijk een `leerhuis` geweest, voor de studie van de thora. De functie van `lijkenhuis` is vanaf begin jaren 1960 overgenomen door mortuaria. Het gebouw werd ook gebruikt als wintersynagoge`. In zeer koude winters was de synagoge niet warm te stoken en werd een dienst in dit pand gehouden.

Louk de Liever is met mij van mening dat hiermee de uitleg die aan de gidsen is overgedragen, van de dichtgemetselde kozijnen sinds de 18e eeuw, moet worden herzien. Er blijven nog wel enkele (detail)vragen onbeantwoord, maar met deze informatie kunnen we tijdens de stadswandelingen onze gasten weer beter informeren.

Met dank aan Louk de Liever, het Joods Historisch Museum (citaat boek R. Evers en H. Loonstein) en Jan Carel van Dijk (afgebeelde ansichtkaart Kortegracht).

Jan H. Lodewijks december 2009